Onroerend erfgoed is helemaal niet zo statisch als de naam doet vermoeden. Het moet de maatschappelijke veranderingen en ontwikkelingen volgen, wil het in de toekomst nog een rol spelen in onze samenleving. Onder impuls van de Klimaatdoelstellingen krijgen onze erfgoedconsulenten op het terrein steeds meer vragen over duurzame en energiezuinige toepassingen bij restauratieprojecten. Herbestemming is dan weer een thema dat beantwoordt aan de behoeften van de verdichtingsproblematiek in Vlaanderen. Dit zette ons ertoe aan een concreet standpunt in te nemen omtrent deze onderwerpen. Hoe die standpunten zich naar de praktijk vertalen kan je zien in ons Portfolio, waarin recente en hedendaagse restauraties en herbestemmingen in de kijker gezet worden. Maar hoe zijn die standpunten ontstaan, en wat betekenen ze voor de betrokken bouwheren en architecten, en voor het erfgoed in de straat? Ik vroeg het aan Sonja Vanblaere, administrateur-generaal van Onroerend Erfgoed.

Wanneer je de pers erop naslaat, is herbestemming en hergebruik van onroerend erfgoed alomtegenwoordig. In de afgelopen week verschenen er per dag gemiddeld twee nieuwe berichten over nieuwe functies voor kerken en pastorieën, verkoop van beschermde openbare gebouwen of infosessies over de toekomstige ontwikkeling van erfgoedsites. Is dit een goede zaak?

Absoluut. Herbestemming en hergebruik is een actuele problematiek. Of liever, een opportuniteit. De vroegere functie van het erfgoed bestaat vaak niet meer. Er zijn minder kerkgangers, minder landbouwers, de industrie is veranderd. Maar daarom gaan we die gebouwen niet slopen. Integendeel, we zoeken samen met eigenaars en ontwerpers naar een nieuwe functie die aansluit bij de maatschappelijke vragen van vandaag. Het sluit ook aan bij de verdichtingsproblematiek: gaan we nieuw vastgoed optrekken, wanneer er al zoveel oude gebouwen staan die hergebruikt kunnen worden.

Een gevolg hiervan dat ik zeer fijn vind, is dat men zo opnieuw in gebouwen komt waar men anders nooit meer zou komen. Mijn generatie ging ’s zondags naar de mis, maar onze kinderen doen dat enkel nog voor een trouw of begrafenis. En onze kleinkinderen doen zelfs dat niet meer. Zo kweken we een hele generatie die niet weet wat een glasraam of een biechtstoel is. Door een kerk te herbestemmen tot bijvoorbeeld klaslokalen, zoals in Sint-Niklaas, komen jonge mensen dagelijks en van heel dichtbij in contact met ons erfgoed.

Herbestemming van erfgoed lijkt tegenwoordig bijna altijd gekoppeld aan de toevoeging van een stukje moderne architectuur, met de architect vaak in een sterrenrol. Door onze flexibele standpunten heeft ook de bouwheer meer armslag gekregen. Plaatst dit onze erfgoedconsulenten in een zwakkere onderhandelingspositie dan vroeger?

Nee, dat denk ik niet. De toevoeging van een stuk hedendaagse nieuwbouw draait om de toevoeging van modern comfort, en is dus in vele gevallen noodzakelijk. Onze erfgoedconsulenten zorgen ervoor dat de aspecten van dat modern comfort, zoals architectonische waarden of EPB-normen, kunnen samengaan met de erfgoedwaarden van een gebouw. In een eerste versie van het standpunt hadden we het over ‘verzoenen’. Maar dat klinkt alsof we water bij de wijn doen, en dat is helemaal niet het geval. Wij werken ‘samen’ met de architect en de bouwheer. Het is geen strijd. En we behalen er mooie resultaten mee, zoals het sanatorium van Tombeek en het restaurant Hertog Jan. Dus nee, wij ervaren op dat vlak zeker geen extra druk.

Iets wat je wil bewaren voor de volgende generaties heeft een zekere duurzaamheid. De moderne architectuur die je toevoegt moet dezelfde topkwaliteit en duurzaamheid uitstralen als het erfgoed waarmee ze samengaat. Dan creëer je een meerwaarde. Niet zolang geleden bracht ik een bezoek aan de gerestaureerde pastorie van Mespelare, en daar zie je duidelijk hoe oud en nieuw elkaar kunnen versterken. Het is een heel mooi voorbeeld dat al veel pers gekregen heeft.

Betekent dit dat de nieuwbouw opgenomen wordt in de afbakening van de bescherming, en een wettelijk onderdeel worden van het monument?

Onze visie is dat we flexibel moeten zijn. Ik ben zeker geen voorstander van het betonneren van beslissingen, maar we mogen de rechtszekerheid van de eigenaar niet uit het oog verliezen. Dus ja, aan de ene kant is zo’n nieuwe toevoeging een officieel onderdeel van het beschermde monument. Maar aan de andere kant moeten we die open blik bewaren, en moet het mogelijk zijn om binnen enkele decennia opnieuw de dialoog te kunnen aangaan met een eventuele nieuwe eigenaar, of op basis van lokale ontwikkelingen. Net om die reden zijn onze standpunten heel ruim opgesteld. Wijzigingen aan een monument moeten niet a priori omkeerbaar zijn, zoals vroeger, maar we zeggen ook niet dat ze niet omkeerbaar mogen zijn. Er zal altijd ruimte zijn voor creatieve oplossingen, en dat voor langere tijd.

Vroeger kregen wij vaak verwijten als: “Monumentenzorg verbiedt dat ik dubbel glas plaats.” Hoe zit dat nu?

Zo’n verbod draaide nooit rond energiezuinigheid, maar had alles te maken met het uitzicht van het schrijnwerk. Raamprofielen waarin dubbel of driedubbel glas kon geplaatst worden beantwoordden zelden aan de esthetische en historische kwaliteiten van een monument. Dat is tegenwoordig heel anders. De technologische vooruitgang komt onze flexibiliteit op dat vlak zeker ten goede. Het geeft ons de kans de essentiële erfgoedwaarden meer en beter te waarderen. Wij blijven de evolutie van nieuw technieken ook op de voet volgen, en onze consulenten scholen zich regelmatig bij in deze materie.

In de Roma in Antwerpen werd een moderne technische installatie geplaatst, maar de erfgoedwaarden van de oude technieken, zoals lichtarmaturen en verluchtingsroosters, zijn behouden. Is zoiets een vereiste?

De vraag die we ons altijd moeten stellen is: tast de ingreep de essentie van de bescherming aan? Daarbuiten is er veel dialoogruimte. Erfgoed leeft en past zich aan. Zichtbare technieken kunnen een toevoeging van deze tijd zijn. Trouwens, Renaat Braem werkte in zijn tijd ook al met zichtbare leidingen.

Maison Thimister in Diest kreeg een vrij imposante dakkapel toegevoegd om de zolderverdieping bewoonbaar te maken, en een maximaal rendement uit de woning te halen.

Deze ingreep zit perfect op één lijn met onze standpunten en het vraagstuk rond verdichting, en is dus absoluut te verantwoorden. De dakkapel bevindt zich niet aan de straatzijde, waardoor het uitzicht niet wordt aangetast. De flexibiliteit van de erfgoedconsulent heeft hier mee beantwoord aan de nieuwe behoeften van de woning.

Gisteren nog zei een medewerker van een gemeentebestuur, iemand die al jaren met ons te maken heeft, dat hij een merkbare, positieve evolutie vaststelt in de manier waarop wij dit soort vragen aanpakken. Dat is heel fijn om horen. Vroeger krijgen wij doorgaans bloemen toegesmeten met de bloempot er nog aan vast. Dat is voelbaar veranderd.

Wie duurzaamheid zegt, zegt zonnepanelen. Hoe gaan we daarmee om in een erfgoedcontext?

Om dergelijke vraagstukken aan te pakken hebben wij een reeks afwegingskaders ontwikkeld. Concrete richtlijnen die onze standpunten omzetten in de praktijk. Het afwegingskader zonnepanelen wordt door de erfgoedconsulenten vaak gebruikt op het terrein, en wordt ervaren als een handig en waardevol werkinstrument.

Zonnepanelen zijn een hedendaagse visuele toevoeging. Ze dienen een huidige behoefte en hebben een breed maatschappelijk draagvlak. In dat opzicht passen ze dus wel in ons standpunt. Maar over hun uitzicht kan je discussiëren. Gelukkig gaat de technische vooruitgang heel snel. Enkele weken geleden was er in de Brugse binnenstad de primeur van zonneceldakpannen: zonnepanelen die er uitzien als klassieke dakpannen, en dus geen negatieve impact hebben op het uitzicht van een beschermd monument, stads- of dorpsgezicht. Ik heb dus goede hoop dat we ooit erfgoed zullen kunnen volladen met technologie voor het opwekken van hernieuwbare energie, zonder dat het afbreuk doet aan de esthetische kwaliteiten. Maar daarnaast denk ik dat ook onze mentaliteit moet evolueren. Als je een gebouw wil doorgeven naar een volgende generatie, dan kan je niet anders dan je aanpassen en dingen mogelijk maken. Vroeger was de regel dat erfgoed de uitzondering was, en moesten monumenten niet voldoen aan de energienormen. Van dat uitgangspunt stappen we resoluut af. We gaan niet meer uit van een vrijstelling voor erfgoedgebouwen, maar streven ernaar om zoveel mogelijk te voldoen aan alle wettelijke eisen inzake energienormen. Wat niet wil zeggen dat ervan afwijken niet mogelijk moet blijven indien er geen andere oplossing is, want we blijven natuurlijk wel opereren binnen de grenzen van de erfgoedwaarden.

Om af te ronden: u staat nu twaalf jaar aan het hoofd van Onroerend Erfgoed. Hoelang zijn deze thema’s al een onderwerp?

Zoals dat meestal gaat met standpunten en visies, leefden ook deze onderwerpen al langer op het terrein. Je kijkt naar de vragen die de consulenten het vaakst krijgen, je pikt dat signaal op en je formuleert er een concreet standpunt rond. Eigenlijk zijn de standpunten een concreet vervolg op onze agentschapsvisie, ‘Erfgoed vanzelfsprekend maken’, maar dan geënt op de actuele thema’s waarmee de burger te maken krijgt.

Het is belangrijk dat we niet langer alleen maar reactief standpunten bepalen. We moeten proactief meedenken over de onderwerpen die onze samenleving bezighouden. Omgaan met open ruimte en verdichting is zo’n thema waarin we mee kunnen wegen op het maatschappelijk debat. We mogen niet uit het oog verliezen dat erfgoed niet zomaar iets is tussen consulent, bouwheer en architect. Erfgoed is ook van de samenleving en van de volgende generaties. Wij moeten erover waken dat dat zo blijft.

Reacties (0)

Reageer op dit artikel