Houten dakconstructies zijn onzichtbaar zowel buiten als binnen het gebouw, en soms ook moeilijk toegankelijk. Toch loont het onderzoek ervan de moeite. Dakkappen bevatten immers een schat aan informatie over de geschiedenis van het gebouw, het timmermansambacht, het bouwbedrijf, historisch bosbeheer en houthandel.

Het belang van de studie van oude dakkappen binnen het architectuurhistorisch onderzoek werd al in de vroege 20ste eeuw vermeld door kanunnik Lemaire en werd in de jaren 1960 bevestigd door het onderzoek van Luc Devliegher en Herman Janse. Met de toepassing vanaf de jaren 1980 van dendrochronologisch onderzoek kreeg de studie van dakkappen een nieuwe impuls.

Bouwhistorisch onderzoek

Door het bouwhistorisch onderzoek krijgen we een beeld van de globale typologische evolutie van dakkappen in onze streken. Hoewel het onderzoek in Vlaanderen verre van voltooid is en er vaak ook uitzonderingen op de regel worden vastgesteld, kunnen er enkele grote tendensen worden onderscheiden in de typologische diversiteit.

Een dakkap is vaak ook de sleutel tot het ontrafelen van de bouwgeschiedenis van een specifiek gebouw. Herstellingen, verbouwingen en verschillende bouwfasen zijn vaak open en bloot afleesbaar in een dakkap.

Dendrochronologisch onderzoek

Dendrochronologische dateringen van bouwhout maken het mogelijk om aan een relatieve chronologie ook absolute dateringen te verbinden, waardoor de ontstaansgeschiedenis en de levensloop van een gebouw in zijn historische context kunnen worden begrepen. Bovendien levert het dendrochronologisch onderzoek van bouwhout meer op dan enkel een exacte datering. Zo kan ook het oorspronggebied van het hout worden achterhaald.

Vlaanderen kende vanaf de 13de eeuw een aanzienlijke import van gezaagd bouwhout uit meer bosrijke gebieden, zoals de Maasvallei, Noordoost-Frankrijk of het zuiden van Duitsland. Zo vormt de dendrochronologische studie van bouwhout uit oude dakconstructies ook een belangrijke bron van informatie over de toenmalige internationale houthandel.