VCM-Contact 22


Op zoek naar een eigentijdse bestemming voor historische militaire gebouwen - Terugblik op het colloquium van de Simon Stevinstichting en de Stichting Vlaams Erfgoed

De herbestemming van grote complexen, die door technische of maatschappelijke evoluties hun oorspronkelijke functie zijn verloren, is een bekende problematiek. In 1996 organiseerden het Nederlandse NCM en de VCM in Maastricht in Eisden reeds een driedaags Ontmoetingsweekend rond de herbestemming van grote historische gebouwen. Hoewel toen vooral werd gefocust op grootschalig industrieel erfgoed, werden bij de voorbeelden ook kazernes getoond en besproken. Ondertussen bleef de belangstelling voor oude militaire architectuur nog aanzienlijk groeien. Bovendien zorgde het einde van de 'Koude Oorlog' voor een nog grotere leegstand van oude kazernes.
De tijd was dus rijp voor een denkoefening rond het militaire erfgoed.
De Simon Stevinstichting, een van de stichtende leden van VCM, is vooral bekend om haar grondige studies en uitstekende publicaties, onder meer over de Brialmontforten rondom Antwerpen. De Stichting Vlaams Erfgoed was in de organisatie van deze studiedag een evidente partner: het eerste monument dat zij - amper twee jaar na haar oprichting - in beheer nam was immers het roemruchte 'Fort Napoleon' in Oostende. De SVE wil trouwens tegen de zomer van 2000 bewijzen dat zij met de restauratie en de herbestemming van het fort haar voorbeeldfunctie waar kan maken. De eerste restauratiefasen zijn achter de rug en de SVE kon - niet zonder enige trots - de resultaten aan de deelnemers voorstellen tijdens de 'walking dinner' op de binnenplaats van het fort.

Zowat 140 deelnemers kwamen op 17 september in Oostende opdagen voor deze studiedag rond het eigentijds gebruik van oude militaire gebouwen. Niet alleen deze goede 'kijkcijfers', het zeer gedifferentieerd publiek van lang niet alleen monumentenzorgers, de puike organisatie en de militaire discipline waarmee de sprekers de timing respecteerden maakten de dag tot een succes, maar vooral de boeiende lezingen en workshops.

Geschiedenis
In zijn algemene historische inleiding schetste Luitenant-kolonel Robert Gils, voorzitter van de Simon Stevinstichting, op een overzichtelijke manier de vestingbouw op Belgisch grondgebied, van 500 vóór Christus tot Wereldoorlog II. Hij onderscheidde daarin twee periodes: de eerste periode, vóór de invoering van de buskruitartillerie, werd gekenmerkt door een grote continuïteit in het gebruik van aanvals- en verdedigingsmiddelen.
In die eerste periode was de verdediging (met aarden en stenen vestingen), sterker dan de aanval. Vanaf de invoering van de vuurwapens, evolueerde alles sneller: de verbetering van de vuurwapens eiste voortdurend verbetering van de vestingwerken: eerst werden muren en torens verlaagd en aangeaard en ontstonden kanontorens en bolwerken. Versterkingen moesten het 'bresschieten' kunnen weerstaan en een platform bieden voor eigen geschut. Vanaf de 16de eeuw ontstond het gebastioneerde front. De gebastioneerde omwalling evolueerde voortdurend, het werd een 'wetenschappelijke' constructie, door ingenieurs ontworpen. Vanaf de 19de eeuw leidde dat tot het polygonaal front en fortengordels rond strategisch belangrijke steden (zoals Antwerpen). Maar de snelle technologische ontwikkelingen in de tweede helft van de 19de eeuw zorgden ervoor dat onder meer de fortengordel rondom Antwerpen verouderd was voor hij in gebruik werd genomen. Wereldoorlog I en II brachten nog betonnen bunkers en verdedigingslinies zoals de Atlantikwall.

Herbestemming en de overheid
In een tweede lezing maakte ingenieur Maurits Foblets van de AROHM duidelijk dat herbestemming van militaire vestingen of kazernes voor de afdeling Ruimtelijke Ordening geen evidentie is. Toen in het begin van de jaren '90 Landsverdediging een groot aantal militaire gebouwen wilde verkopen en besprekingen startte met diverse geïnteresseerden, besliste de Vlaamse regering dat deze domeinen niet verkocht konden worden voor er op de gewestplannen een aangepaste bestemming bepaald zou worden. Op die manier wilde men voorkomen dat de domeinen aangekocht zouden worden voor bestemmingen die niet in een goede ruimtelijke ordening zouden passen. Een naar onze mening wijze beslissing, die blijk geeft van een ruime en integrale visie op de problematiek van herbestemming van grote complexen. Maurits Foblets legde in zijn uiteenzetting misschien wel wat sterk de nadruk op de complexiteit van de procedures, zeker nu het nieuwe decreet op de Ruimtelijke Ordening en de structuurplannen ook nog voor vertraging kan zorgen. Dat wekte bij een deel van de deelnemers de indruk dat de overheid alweer de remmende factor is. Ook in de namiddagdebatten leidden trouwens af en toe tot welles-nietesdiscussies tussen de diverse overheden, over de administratieve rompslomp en welke administratie nu verantwoordelijk is voor de grote vertragingen. Het pijnlijke voorbeeld van het voormalig militair hospitaal van Oostende, dat al jaren leegstaat en op een zinvolle nieuwe bestemming wacht, werd in de loop van de dag meer dan eens genoemd.
Hoe dan ook, een aantal domeinen en kazernes zijn reeds verkocht of onteigend en hebben een nieuwe bestemming gekregen. Landsverdediging heeft ook een lijst van domeinen die te koop worden aangeboden.

Herbestemming en de monumentenzorger
De voormiddagsessie werd afgesloten met de lezing van prof. dr. Piet Lombaerde, ondervoorzitter van de Simon Stevinstichting. Hier was de monumentenzorger aan het woord. Vanuit de fundamentele invraagstelling van het begrip 'monument' volgens de categorieën van de Weense kunsthistoricus Aloïs Riegl, stelde Lombaerde dat duidelijk zeer verschillende keuzes kunnen worden gemaakt die enorme repercussies hebben op de wijze waarop het bouwwerk aan nieuwe functies wordt aangepast. De categorieën intentie (waarmee het gebouwd is), herdenking (gevoelswaarde, historische waarde achteraf) en hedendaagsheid (gebruikswaarde, kunstwaarde) illustreerde hij aan de hand van voorbeelden uit de militaire architectuur: de Leeuw van Waterloo, de wallen van Maastricht, het Fort Stanwix in de staat New York. Zelf voegde hij er nog een vierde categorie aan toe, de negatie (de vesting als historische waarde genegeerd).
Piet Lombaerde eindigde met een oproep voor een globale en geïntegreerde aanpak. Een globale aanpak, met als meest sprekend voorbeeld de fortengordel rond Antwerpen en een geïntegreerde aanpak, waarin rekening gehouden wordt met de stedenbouwkundige en maatschappelijke problemen en mogelijkheden van vandaag.

Themagesprekken
In de namiddag werd in vier themagesprekken dieper ingegaan op specifieke aspecten van de problematiek. Het eerste thema was de fortengordel rond Antwerpen. Robert Gils schetste, als inleiding, de geschiedenis en het belang van deze fortengordel. Een echte herwaardering van deze fortengordel vraagt een aanpak die het lokale niveau overstijgt: het gaat over meestal indrukwekkende complexen, maar niet zo evident geschikt voor om het even welke nieuwe functie. De restauratie en herinrichting van de forten vraagt zware investeringen, te zwaar voor de kleinere gemeenten. Toch is Robert Gils optimistisch, want er bestaat volgens hem een consensus over het belang van deze herwaardering en er worden boeiende ideeën naar voren geschoven.

In een tweede gespreksgroep werd gedebatteerd over het eigentijds gebruik van kazernes.
Typologisch zijn kazernes heel wat gemakkelijker te herbestemmen, zeker wanneer ze in een stedelijk gebied liggen. Twee geslaagde voorbeelden kwamen aan bod: de Dossinkazerne in Mechelen en de Holleinkazerne in Gent, beide omgebouwd tot wooneenheden. Voor kazernes in agrarische of groengebieden ligt het iets moeilijker. Generaal-majoor Joos, die het gesprek leidde, vroeg zich af waarom men het zo evident vindt dat deze kazernes een groene bestemming krijgen. Ze hadden vroeger een min of meer industrieel karakter, waarom zouden ze geen industriële bestemming kunnen behouden, opperde hij.
Feit is dat op dit ogenblik nog maar 20% van de 'gedesaffecteerde' militaire domeinen verkocht zijn. De catalogus voor potentiële kopers is nog uitgebreid. Wat uiteraard betekent dat het herbestemmingsprobleem nog een hele tijd actueel zal zijn en dat meer creativiteit bij het oplossen van dit probleem noodzakelijk zal blijken.

Piet Lombaerde leidde de derde gespreksgroep, over aarden omwallingen. Na een korte historische inleiding ging het vooral over de actuele problematiek. Binnen de typologie van militaire bouwwerken zijn aarden omwallingen en forten natuurlijk de meest kwetsbare. In België zijn ze bijna volledig uit het landschap verdwenen. In de trend van herwaardering van militaire architectuur moeten dringend maatregelen worden genomen om te beveiligen wat nog rest. Er stelt zich bovendien een ander probleem: aarden wallen liggen - figuurlijk dan - in het niemandsland tussen de monumentenzorg en de archeologie. Voor de monumentenzorgers zijn ze een zaak van archeologen, de archeologen beschouwen ze als (bovengrondse) bouwwerken en dus zijn ze voor de monumentenzorg.
Totale reconstructies zoals Bourtange in Nederland, acht men in België totaal onmogelijk, zowel vanuit het standpunt van ruimtelijke ordening, als vanuit de opvattingen over monumentenzorg die men hier huldigt.

De laatste gespreksgroep boog zich over de plannen voor het Fort Napoleon, dat in 1996 in erfpacht werd gegeven aan de Stichting Vlaams Erfgoed. Nu de ruwbouwrestauratiefase achter de rug is, kan het eigenlijke herbestemmingsproject van start gaan. Het ontwerp combineert respect voor het historische en integratie van hedendaagse architecturale elementen. In de caponnières komt vooral de bezoeker van monumenten aan zijn trekken. Daar wordt het fort Napoleon ingepast in zijn historische en eigentijdse context. Voorts wordt het gebouw zo ingericht dat het op verscheidene manieren en op verschillende plaatsen een podium kan zij voor culturele activiteiten. Een segment van het fort zal worden afgesloten en dienst doen als permanente bistro. Tussen de toren en de buitenmuur wordt een glazen ruimte gepland, die vooral als vergader- en seminariezaal zal fungeren.

Een probleem voor deze eigentijdse bestemming van het Fort Napoleon blijft de ligging en de onmiddellijke omgeving van het monument. Er is de positieve kant - de ligging in de duinen en het uitzicht op zee - maar er is ook de negatieve kant: het fort is vanuit Oostende moeilijk te bereiken want het ligt aan de overkant van de havengeul, in een gebied waar oude, verlaten scheepswerven het beeld ontsieren en waar ook het militair hospitaal op een nieuwe bestemming wacht. Wij hopen met en voor SVE, dat de stad Oostende spoedig met een herwaarderingsplan voor het hele gebied van start gaat.

Tentoonstelling
De studiedag eindigde met een bezoek aan de tentoonstelling 'Met grof geschut. Vestingbouw langs de Noordzee'. Mocht een van de deelnemers aan de studiedag nog niet overtuigd geweest zijn van het historisch belang van wat ons rest aan militaire architectuur en van de noodzaak om ze - met een eigentijdse functie - in stand te houden, dan zal deze mooie tentoonstelling daar ontgetwijfeld nog toe bijgedragen hebben.

Meer info
Stichting Vlaams Erfgoed, Bergstraat 72, 1000 Brussel
Tel. 02/512.22.72 fax 02/512.36.67
Over dit colloquium verschijnt in het najaar een volledig verslagboek.


De werking van verenigingen
Funerair erfgoed. Meer dan een verslagboek
Leegstand: bedreiging voor ons erfgoed
Belforten bijna Werelderfgoed?
Twee kastelen,twee verenigingen
Op zoek naar een eigentijdse bestemming voor historische militaire gebouwen
Inhoud VCM-contact 22